Weefsels – steunweefsel – vetweefsel

Vetweefsel
In het vetweefsel liggen vetcellen (adipocyten), die zorgen voor de opslag of afname van vet. De vetcellen kunnen alleen of in kleine groepjes in het vetweefsel voorkomen. Het zijn een soort kleine ballonnetjes, waarin vet wordt opgeslagen. Vetcellen zijn rekbaar en kunnen zich volzuigen met vet. Als er zoveel vet wordt opgeslagen, dat je vetcellen het niet meer aankunnen, gaat het vet voor opslag naar andere organen, zoals de lever, waardoor je kans op ontstekingen krijgt.
Als volwassen vrouw bestaat je lichaamsgewicht voor ongeveer 20-25% uit vetweefsel en als volwassen man is dat voor ongeveer 15-20% van het lichaamsgewicht. De hoeveelheid vetcellen, die je als volwassene hebt, zijn bepaald, toen je een kind was. Tijdens de groeiperioden in je kindertijd en in je pubertijd groeien de vetcellen heel hard in grootte en aantal. Vetcellen groeien, omdat er vet in wordt opgeslagen. Als een vetcel eenmaal té groot wordt, dan splitst die vetcel zich, waardoor het aantal vetcellen nog verder flink in aantal groeit. Het vermeerderen en splitsen van vetcellen stopt zo rond je 20e levensjaar. Na je 20e levensjaar blijft het totale aantal vetcellen verder constant.
Vetcellen zitten vooral in je buik, billen en bovenbenen. De verhouding tussen het mannelijke geslachtshormoon testosteron en het vrouwelijke geslachtshormoon oestrogeen bepaalt op welke plek in je lichaam vetcellen zich vooral volzuigen met vet. Als je als vrouw nog niet in de overgang bent, regelen oestrogenen dat vooral vetcellen op je heupen het vet opnemen. Bij de daling in de oestrogeenspiegel na de overgang krijg je als vrouw een andere vetverdeling met meer buikvet. Bij een daling in de testosteronspiegel zorgt dat bij oudere mannen voor meer vetopslag in de buik. Je lichaam vervangt ieder jaar zo’n 10% van je vetcellen.

Structuur vetweefsel
Het vetweefsel is een losmazig bindweefsel, dat:
• isoleert tegen warmteverlies. Vet is een slechte warmtegeleider, daardoor geeft je lichaam minder warmte af aan de omgeving en blijft je lichaamstemperatuur op orde.
• zorgt voor schokdemping.
• je organen beschermt.
• zorgt voor opslag van energiereserves. Vet kan energie in geconcentreerde vorm opslaan.
• steun geeft. Vetcellen bepalen de vorm en vullen ruimtes op tussen de weefsels, waardoor organen op hun plaats gehouden worden.
• zorgt voor aanmaak van hormonen. Hormooncellen zijn betrokken bij de regulering van de hoeveelheid vetweefsel in je lichaam.

Werking vetweefsel
• Het onderhuids bindweefsel of basaalmembraan is de losse weefsellaag onder de lederhuid. Dit onderhuids bindweefsel bestaat vooral uit bindweefsel, vetcellen, zenuwvezels en bloedvaatjes.
Het onderhuidse bindweefsel ondersteunt je huid aan de buitenkant van je lichaam en de diepere lagen eronder en verbindt deze met elkaar. Via de laag onderhuids bindweefsel zit de lederhuid vast aan deze onderliggende lagen. Het onderhuids bindweefsel werkt als een schokdemper door de kwetsbare onderliggende lagen te ondersteunen en beschermen tegen ernstig letsel. Vetweefsel geeft bijvoorbeeld steun rond je oogkassen en in de wangen, maar zit niet waar je huid dun is, zoals op je oogleden, tepels, genitaliën en het scheenbeen.
• Ook dieper in je lichaam wordt vet opgeslagen in het onderhuids bindweefsel. Het vetweefsel met bindweefsel, vetcellen, zenuwvezels en bloedvaatjes zit verspreid in je gehele lichaam. Visceraal vet (buikvet) zit in de buikholte, waar de meeste inwendige organen, zoals de maag, lever, galblaas, milt, alvleesklier, darmen, urineblaas en bij vrouwen de baarmoeder en eierstokken zitten. Je moet een bepaalde hoeveelheid visceraal vet hebben, want het werkt als een ‘stootkussen’ voor kwetsbare organen en als opslagplaats voor overtollige glucose. Het viscerale vet wordt ook wel orgaanvet genoemd, omdat het rond je organen blijft zitten. De nieren hebben een laagje vetweefsel, dat de nieren beschermt tegen beschadiging.
Als je man bent, zit het onderhuids bindweefsel meestal vooral op buik en schouders. Als je vrouw bent, zit het vooral onder het middel en rond de dijen, heupen en billen.

Afbeelding links: witte adipocyten (vetcellen) in vetweefsel onder de microscoop. Gekleurd voor contrast met hematoxyline en eosine. De vetcellen bevatten één grote centrale vetdruppel.
Afbeelding rechts
: bruine adipocyten (vetcellen) in vetweefsel onder de microscoop. Gekleurd voor contrast met hematoxyline en eosine. De vetcellen bevatten veel kleine vetbolletjes, verspreid in het cytoplasma, waardoor ze een sponsachtig uiterlijk krijgen.                                                           

Vetcellen
Een grote hoeveelheid vet is opgeslagen in de adipocyten, de vetcellen. Vetcellen hebben meerdere taken in je lichaam. Ze zorgen voor isolatie, slaan energie in de vorm van vet op, beschermen belangrijke organen, zoals bloedvaten en zenuwen en helpen je lichaamstemperatuur te regelen. Vetcellen zitten in vetweefsel en 80 tot 95% van het volume van een vetcel kan vet zijn.
In het vetweefsel zijn erg veel lipasen aanwezig. Een lipase is een enzym, dat vetten afbreekt. Het enzym zit in de alvleesklier en ook in menselijk speeksel. Sommige lipasen zorgen voor een snelle opslag van vet en andere lipasen moeten eerst geactiveerd worden door hormonen. Vetten kunnen niet zomaar oplossen in het water, maar enzymen kunnen dit weer wel. Om een lipase te laten inwerken op vetten om deze af te breken, moet het vet in hele kleine druppels verdeeld worden.
De vetcellen in vetweefsel slaan energie op in de vorm van triglyceriden, totdat energie nodig is. Triglyceriden zijn vetten (lipiden), die worden gebruikt als bron en opslagplaats van energie in het lichaam. Lipiden is een verzamelnaam voor verschillende vettige stoffen, zoals cholesterol en triglyceriden. Deze lipiden zijn het eindproduct van afgebroken vetten uit onze voeding. Je lichaam zet niet-gebruikte energie uit de voeding (koolhydraten, vetten of eiwitten) om in triglyceriden. Als ze actief zijn, zorgen de lipasen voor het splitsen van triglyceriden in het vetweefsel, zodat deze vervoerd kunnen worden in het bloed. Deze triglyceriden worden, verpakt in bolletjes, vervoerd door lipoproteïnen in het bloed. De lipoproteïnen zijn kleine pakjes, bestaande uit cholesterol, triglyceriden en eiwit, om vetten in je bloed te vervoeren. Vettige stoffen, zoals triglyceriden en cholesterol, lossen niet op in bloed. Ze zijn afhankelijk van het lipoproteïnen vervoer, dat de vettige stoffen van de organen (de darmen en de lever) naar de cellen brengt. Vetcellen nemen de triglyceriden op en gebruiken ze als energie, wanneer voedingsmiddelen niet beschikbaar zijn. De triglyceriden in het vetweefsel worden iedere drie weken vervangen.
Ongeveer 40% van de energie in je voeding wordt geleverd door vetten. Deze vetten worden opgeslagen in het vetweefsel. Als je lichaam energie nodig heeft, verbrandt het deze vetten weer. Hierdoor levert vet ook energie aan andere weefsels in je lichaam, die het nodig hebben.
Bij het regelen van de opslag van en het vrijkomen van vet zijn hormonen betrokken. De vetcellen slaan niet alleen vet op, maar maken bijvoorbeeld ook honderden hormonen aan, die van invloed zijn op je energiestofwisseling. Eén van die hormonen is leptine. Leptine is belangrijk voor het regelen van je eetlust, want leptine zorgt voor het afnemen van je hongergevoel. Het is ook belangrijk voor je afweersysteem. Als je een te laag vetpercentage hebt en dus weinig leptine aanmaakt, kun je sneller ziek worden. Je afweersysteem is dan niet sterk genoeg om de ziekteverwekkers als virussen, bacteriën en schimmels aan te pakken. Er zitten ook vetcellen in het beenmerg van de botten.
Bruine vetcellen
Bruin vetweefsel is vooral actief in het genereren van lichaamswarmte door de verbranding van vetzuren en glucose (suikers). De bruine vetcellen ontstaan uit voorlopercellen, die ook spiercellen kunnen vormen.
Bruine vetcellen zijn voor baby’s onmisbaar, omdat bruin vet actief is. Het maakt warmte aan. Baby’s verliezen anders te veel warmte via het lichaamsoppervlak.
Bruine vetcellen zijn ook aanwezig in de lichamen van kinderen en volwassenen. Bepaalde mensen hebben meer bruin vet dan anderen. Leeftijd speelt daarbij een belangrijke rol: rond je 20e levensjaar heeft bijna iedereen bruin vetweefsel, terwijl het bij mensen boven de zestig weinig voorkomt.
Bij bruin vetweefsel zijn adipoblasten of lipoblasten (fibroblasten), de jonge vetcellen die heel veel kleine vetbolletjes bevatten, aanwezig. Het vetweefsel is goed doorbloed en voorzien van zenuwen. Bruine vetcellen verbruiken vet en zijn bruin van kleur, omdat ze veel ijzer bevattende mitochondriën hebben, dat zijn celorganellen die, uit suikers en vetzuren, energie vrijmaken. Die energie heeft je lichaam nodig om goed te werken, bijvoorbeeld spieren hebben energie nodig om te bewegen.
Bruine vetcellen zitten ook verspreid in andere weefsels, zoals in wit vetweefsel en spierweefsel. Dit zijn de perifere bruine vetcellen. Deze worden ook wel beige vetcellen genoemd, omdat ze met hun eigenschappen tussen een witte en bruine vetcel in zitten. Dit vetweefsel vind je vooral in de hals, om de wervelkolom, schouderbladen, nieren en in het gebied tussen de longen.
Beige vetcellen
De beige vetcellen zijn terug te vinden rondom het sleutelbeen en de wervelkolom.
Als je volwassen bent, dan heb je bruine vetcellen, maar ook witte en beige vetcellen. De bruine en beige vetcellen lijken wat betreft uiterlijk sterk op elkaar en zijn allebei goed doorbloed. De cellen bevatten, net zoals de bruine vetcellen, veel kleine vetdruppeltjes en veel mitochondriën. Maar er zijn toch ook wel grote verschillen.
De beige vetcellen liggen verspreid door het witte vetweefsel met de witte vetcellen heen. De beige vetcellen zitten dus verscholen tussen de witte vetcellen. De taak van de beige vetcellen lijkt in eerste instantie sterk op die van de witte vetcellen. Maar als de beige vetcellen worden blootgesteld aan kou, inspanning of het hormoon irisine verandert hun taak en lijkt deze weer meer op die van de bruine vetcellen. De beige vetcellen verbranden dan net zo efficiënt vet als de bruine vetcellen dat doen en maken warmte aan.
Witte vetcellen
Wit vetweefsel komt, als je volwassen bent, het meeste voor in je lichaam. Wit vet is passief, het is slecht doorbloed en er lopen nauwelijks zenuwen doorheen. De witte vetcellen dienen alleen voor opslag van energie in de vorm van vet. Wit vetweefsel ligt vooral onder de huid, maar ook rond je organen. Rond de organen heeft het vetweefsel een beschermende en ondersteunende rol, want het vult lege ruimten op en zorgt ervoor, dat de organen op hun plaats blijven liggen. Het vet in de handpalmen en voetzolen dient als stootkussen.
Een witte vetweefselcel bevat één grote centrale vetdruppel. Als je ouder wordt, veroudert de vetcel tot adipocyt of lipocyt. Er komen steeds meer vacuolen (holten met vet) in de vetcel en deze versmelten tot één grote witte vetvacuole, die de kern en het cytoplasma tegen het celmembraan van de vetcel aandrukt.
Bij regelmatige activatie, bijvoorbeeld door kou, worden witte vetcellen via beige langzaam weer bruin van kleur.

Help mee