Weefsels – epitheel

Epitheel
Epitheel is een weefsel, dat iets bedekt en contact met de buitenwereld heeft. Het epitheel bestaat uit epitheelcellen, die in je huid zitten, maar bijvoorbeeld ook in de slijmvliezen (bekleding) van je darmen, maag en longen (luchtpijp). Onder de cellen zit direct daaronder een dunne laag bindweefsel, het basaalmembraan. Het epitheelweefsel heeft een slijtfunctie: cellen sterven af en worden steeds opnieuw aangemaakt, zoals in je huid. Het epitheel heeft als taak:
– het beschermen en bekleden van onderliggende weefsels.
– de opname en afgifte van stoffen (moleculen), bloed en lymfe.
Endotheel bestaat uit cellen, die geen contact met de buitenwereld hebben. Onder de cellen zit direct daaronder een dunne laag bindweefsel, het basaalmembraan. Bij de endotheelcellen zorgen de elastine vezels in het basaalmembraan voor uitrekbaarheid van het weefsel en kan het endotheel weefsel zo de wisselende vloeistofstroom in bijvoorbeeld de bloed- en lymfevaten opvangen. Het endotheel is een éénlagig bedekkend plaveiselepitheel, dat aan de binnenkant van het vasculaire systeem (hartvlies en bloedvaten), lymfevaten, buikvlies, het hartzakje en lichaamsholten ligt. Endotheel bestaat ook uit het endocard en mesotheel.
– Het endocard (hartvlies) zit aan de binnenkant van het hart, dat direct contact heeft met het bloed in de boezems en hartkamers. Het endocard loopt door in de binnenwand van de bloedvaten en vormt ook de bekleding van de hartkleppen.
– Het mesotheel zit aan de binnenkant van de gesloten holten in het lichaam, dat de bekleding vormt van vliezen, bijvoorbeeld het buikvlies en het hartzakje.

Basaalmembraan
De verschillende cellen worden van het onderliggende weefsel gescheiden door het basaalmembraan. De weefsels zitten vast aan dat basaalmembraan, een onderliggend weefsel. Het basaalmembraan bestaat uit een dunne laag collageen en glycoproteïnen, die deels door de cellen zelf en deels door de onderliggende bindweefselcellen (vooral fibroblasten) wordt gemaakt.
Door het basaalmembraan lopen bloed- en lymfevaten en zenuwuiteinden. Dat is nodig, omdat de cellen heel dicht tegen elkaar liggen. Daarom zijn de weefsels moeilijk doordringbaar. De cellen zijn mechanisch sterk aan elkaar gehecht, zodat er geen plaats is voor bloedvaten en de tussencelstof in het weefsel. De voeding voor de epitheelcellen en endotheelcellen komt via het basaalmembraan. Het basaalmembraan heeft in het membraan vooral keratine vezels bij de epitheelcellen in de huid en elastine vezels bij de endotheelcellen en kliercellen.

Epitheelcellen
De weefsels bestaan uit zeer dicht opeen geplaatste cellen met weinig of geen tussencelstof en zijn opgebouwd uit platte (plaveiselachtige), cilindrische of kubische cellen.
• Bij het plaveiselepitheel zijn de cellen plat en op elkaar gestapeld. De breedte bij de cellen is groter dan de dikte. De onderste cellen van het plaveiselepitheel zijn altijd kleiner en ronder dan de bovenste cellen van het epitheel. Bij plaveiselepitheel liggen de afgeplatte kernen in het midden van de cellen. De cellen hebben een ovale kern, waarbij de lengteas evenwijdig is aan het basaalmembraan.
Plaveiselepitheel is er in:
éénlagig plaveiselepitheel op plaatsen, waar een hoge doorlaatbaarheid voor vloeistoffen en gassen nodig is, zoals bijvoorbeeld in de longblaasjes.
meerlagig plaveisel epitheel, dat bestaat uit meerdere lagen cellen, die naar de oppervlakte toe steeds platter worden in de huid. Deze cellen worden als schilfers van de rest van het epitheel van de huid afgestoten en onderaan (aan de basis) worden steeds weer opnieuw cellen gevormd.
• Bij het cilindrisch epitheel zijn de cellen langgerekt en staan loodrecht op de basaalmembraan. De hoogte van de cellen is veel groter dan de breedte. Het cilindrisch epitheel heeft één cellaag. Bij het cilindrisch epitheel liggen de langgerekte, elliptische kernen onder in de cel in de buurt van het basaalmembraan en het onderliggende bindweefsel. Als de cilindrische epitheelcellen ook trilharen bevatten, heet het trilhaarepitheel.
• Bij het trilhaarepitheel zitten de cilindrische cellen bijvoorbeeld in de neusholte, luchtwegen, longen, eileiders en het middenoor. In de luchtwegen en de longen zitten veel slijm aanmakende cellen (slijmbekercellen) en trilhaarcellen. De slijm aanmakende cellen maken slijm. In deze slijmlaag blijven vervolgens stofjes en ziekteverwekkers hangen. Deze stoffen en ziekteverwekkers komen dus niet dieper in de longen. Maar het slijm met deze stofdeeltjes en ziekteverwekkers moet natuurlijk wel verwijderd worden uit de luchtwegen. De trilhaarcellen zorgen ervoor, dat het slijm met vervuiling langzaam maar zeker naar de mondholte getransporteerd wordt. Aangekomen in de mondholte kan je het vervuilde slijm dan makkelijk inslikken. De ziekteverwekkers en de stofdeeltjes komen dan in de maag terecht, waar ze onschadelijk worden gemaakt door het maagzuur.
• Bij het kubisch epitheel lijken de cellen lijken op kubussen en zijn vierkant. De breedte, dikte en hoogte zijn even groot. Deze cellen hebben een ronde kern.
Kubisch epitheel is er als éénlagig kubisch epitheel op plaatsen waar secretie en afgifte van stoffen belangrijk is, zoals in eierstokken, klieren (bijvoorbeeld hormonen en verteringsenzymen) en kanalen. Klieren maken en scheiden stoffen (secretie), bijvoorbeeld zweet en talg in de huid, uit. Als klieren een afvoergang naar buiten het lichaam hebben, worden ze exocriene klieren genoemd. Klieren zonder afvoergang worden endocriene klieren genoemd en de afscheiding gaat via diffusie en de bloedbaan in het lichaam.
Kubisch epitheel is er ook als meerlagig kubisch epitheel, waar bescherming belangrijk is, bijvoorbeeld urineblaas en nierbekken. Kubische cellen zijn aanwezig in de bekleding van de nierbuisjes, die het bloed filteren en urine maken.

Lagen epitheelweefsel
Epitheelweefsel wordt ingedeeld naar soort en aantal lagen:
Soort: • plaveiselepitheel • kubisch epitheel • cilindrisch epitheel • trilhaar epitheel.
Lagen: epitheel heeft één laag of meerdere lagen: • éénlagig en • meerlagig en • meerrijig, dat uit één laag bestaat, maar de kernen van de cellen liggen op verschillende hoogten.

Eénlagig epitheel bestaat uit:
– het éénlagig plaveiselepitheel
Plaveiselepitheel (plaatepitheel, endotheel, mesotheel) wordt ook wel afgeplat epitheel genoemd. Plaveiselepitheel komt aan zijn naam door de vorm van de cellen. De cellen zijn plat en op elkaar gestapeld. De onderste cellen van het plaveiselepitheel zijn altijd kleiner en ronder dan de bovenste cellen van het epitheel. Het plaveiselepitheel wordt gevonden op plaatsen, waar een hoge doorlaatbaarheid voor vloeistoffen en gassen nodig is. Het komt bijvoorbeeld voor in de mond, longblaasjes, bloedvaten, huid, slokdarm en vagina. Het zorgt voor opname en transport, afscheiding en ondersteunt de beweeglijkheid van vliezen.
– het éénlagig kubisch epitheel
Deze cellen lijken in de vorm op kubussen, en zijn vierkant, maar de celkern is rond. Het eenlagig kubisch epitheel komt vooral voor op plaatsen, waar bedekking en afgifte (secretie) van stoffen erg belangrijk is. Het komt bijvoorbeeld voor in zweetklieren in de huid, schildklier en de eierstokken.
– het éénlagig cilindrisch epitheel
Dit zijn hoge cellen met langgerekte kernen. Het cilindrisch epitheel zorgt voor transport en afscheiding van stoffen en is te vinden in het slijmvlies van de darmen, maag en galblaas. Soms bevatten de cilindrische epitheelcellen ook trilharen, het trilhaarepitheel.
– het éénlagig trilhaarepitheel
In dit epitheel zitten slijmbekercellen. Deze cellen maken slijm aan en brengen het slijm naar buiten de cel. De trilharen bevinden zich ook buiten op de wand van de cel. De trilharen en het slijm zorgen er samen voor, dat bacteriën en vuil buiten gehouden worden en gestopt. Trilhaarepitheel bevindt zich onder andere in de neusholte, de luchtpijp, bronchiën, de eileiders en het middenoor. Het zorgt voor bescherming en afscheiding van stoffen.

Meerlagig (gestratificeerd) epitheel bestaat uit:
– het meerlagig plaveisel epitheel
Dit bestaat uit meerdere lagen cellen. Naar de oppervlakte toe worden de cellen steeds platter. Uiteindelijk worden ze als schilfers van de rest van het epitheel (huid) afgestoten. Er worden onderaan (aan de basis van de huidlaag) steeds weer opnieuw cellen gevormd. Er zijn twee soorten:
= het meerlaging afgeplat verhoornd plaveiselepitheel.
De cellen gaan naarmate ze verder naar het oppervlakte toe liggen steeds meer keratine opnemen (hoornstof). Het verhoornde, zeer droge oppervlak, dat hierdoor ontstaat, wordt soepel gehouden door talg. Talg wordt aangemaakt in talgkliertjes die net onder de huid zitten. Het verhoornde epitheel zit vooral in de opperhuid (epidermis) en zorgt voor bescherming.
= het meerlagig afgeplat niet-verhoornd plaveiselepitheel.
De cellen worden vochtig gehouden door de afscheiding van klieren. Dit epitheel zorgt voor bescherming, afscheiding en voorkomen van vochtverlies. Het is terug te vinden in slijmvliezen in de mond, slokdarm en vagina.
– het meerlagig kubisch epitheel
De cellen lijken in de vorm op kubussen en zijn vierkant, maar de celkern is rond. De taak van het meerlagig kubisch epitheel is bescherming.
– het meerlagig cilindrisch epitheel
Het meerlagig cilindrisch epitheel bestaat uit meerdere cellagen en komt bijvoorbeeld voor in de uterus (baarmoeder) en de conjunctiva (hoornvlies van het oog). Dit epitheelweefsel beschermt de onderliggende weefsellaag en scheidt stoffen uit.

Meerrijig epitheel bestaat uit:
– het meerrijig overgangsepitheel
Bij meerrijig bestaat het epitheel uit één laag, maar de kernen van de cellen liggen op verschillende hoogten. Overgangsepitheel is een meerrijig epitheel, waarbij alle cellen rusten op een basaalmembraan, terwijl niet alle cellen het vrije oppervlak bereiken. Deze vorm van epitheel heeft een sterk wisselend oppervlak en is heel rekbaar. De aan het oppervlak gelegen cellen hebben een beschermend laagje, bijvoorbeeld tegen zuren. De rekbare weefselvorm past zich aan naar de vullingsgraad van de blaas en ureter (plasbuis). Het zorgt voor bescherming.
– het meerrijig cilindrisch epitheel met trilharen
Dit is de bekleding van een deel van de luchtwegen en zorgt voor bescherming.

Klierepitheel
Klierweefsel is afscheidend epitheel en geeft stoffen in of buiten het lichaam af. Het heeft vrij grote kliercellen met zeer weinig of geen tussencelstof tussen de cellen. Het klierweefsel heeft een afscheidingsfunctie en maakt allerlei stoffen aan, zoals slijm, talg, spijsverteringssappen en hormonen.
Klierweefsel met kliercellen zijn er als eencellige klieren of als meercellige klieren.
– Eéncellige klieren komen voor in de slijmbekercellen van het slijmvlies en geven slijm af, waardoor het oppervlak van het weefsel vochtig en glad blijft.
– Bij méércellige klieren zijn er drie indelingen naar vorm, afscheiding en functie:
• Indeling naar vorm.
Er zijn buisvormige exocriene klieren (tubulaire klieren), zoals de zweetklieren, darmsapklieren en nieren. Er zijn trosvormige exocriene klieren (alveolaire klieren), zoals de talgklieren, speekselklieren, melkklieren en alvleesklier. Er zijn gemengde klieren (tubulo- alveolaire klieren), zoals de oorsmeerklier. Deze klieren hebben zowel een buis- als een trosvorm, Er zijn ook exocriene klieren zonder afvoerbuis, zoals hormoonklieren in maag, darm, slijmvlies en longen.
• Indeling naar manier van afscheiding.
Er zijn exocriene klieren met een afvoerbuis, die stoffen afscheiden via die afvoerbuis, zoals traanklieren, speekselklieren, pancreas, melkklieren, zweetklieren en talgklieren.
Er zijn eccriene klieren, die stoffen afscheiden, die in de kliercel gemaakt worden, waarbij de kliercel heel blijft, zoals bij speekselklieren en kleine zweetklieren.
Er zijn apocriene klieren, die stoffen afscheiden, waarbij een deel van de cel wordt afgescheiden, zoals bij grote zweetklieren in de oksel, melkklieren en oorsmeerklieren.
Er zijn holocriene klieren, die stoffen afscheiden, waarbij de hele cel verloren gaat, zoals bij talg uit de talgklier.
Er zijn endocriene klieren met interne afscheiding. Hierbij worden de afscheidingsproducten via diffusie afgegeven in het lichaamsvocht. De stoffen worden weggevoerd via de bloedbaan, zoals bij de hypofyse, schildklier, bijschildklier, bijnier, eilandjes van Langerhans in pancreas en geslachtsorganen (testis, ovarium).
Er zijn endo-exocriene klieren, die hormoon afscheiden en ook een afscheiding hebben via een afvoerbuis, zoals bij de alvleesklier en geslachtsklieren.
• Indeling naar functie.
Er zijn klieren, die stoffen naar buiten afscheiden (externe secretie), zoals bij speeksel, darmsap en talg.
Er zijn hormoonklieren met een interne secretie (incretie), die de stoffen direct afgeven in het bloed.
Er zijn klieren die afvalstoffen uitscheiden (excretie), zoals bij urine en zweet.