Medicijn – hulpstoffen

Wat zijn hulpstoffen?

Hulpstoffen in een medicijn
In elk medicijn zit een werkzame stof en hulpstoffen. De werkzame stof of het mengsel van werkzame stoffen zorgt ervoor, dat je medicijn werkt, bijvoorbeeld door het verminderen van pijn, het verlagen van koorts of het doden van een bacterie.
Hulpstoffen hebben verschillende eigenschappen en zorgen bijvoorbeeld voor de kleur of de smaak van een tablet, maar worden ook toegevoegd om een bepaalde toedieningsvorm van een medicijn mogelijk te maken. De manier van toediening is belangrijk om een medicijn te laten werken. Als een medicijn niet op de juiste manier wordt toegediend of ingenomen, kan de werking minder zijn of werkt het medicijn niet.
Bij een merkloos (generiek) medicijn kunnen de hulpstoffen verschillen van die in het merkmedicijn. Dan zit er bijvoorbeeld tarwezetmeel in plaats van maiszetmeel in. Dit heeft meestal geen invloed op de werking van het medicijn. Maar soms kun je flinke klachten krijgen als je allergisch of overgevoelig bent voor een bepaalde hulpstof. Dan moet je dokter bepalen, zodra je deze klachten krijgt, of je terug moet naar gebruik van het merkmedicijn of dat er een ander merkloos (generiek) medicijn is, dat die hulpstof niet heeft en je wel kunt gebruiken. Meld je klacht ook bij de apotheek en het Bijwerkingencentrum Lareb.

Indeling hulpstoffen
De hulpstoffen worden ingedeeld onder farmaceutische hulpstoffen of therapeutische hulpstoffen.
De farmaceutische hulpstoffen zijn nodig voor het maken van het medicijn, bijvoorbeeld voor:
• de vorm: dat kan zijn een tablet -, capsule -, drank -, zalf -, zetpil -vorm. De vulstoffen worden gebruikt om de inhoud op te vullen.
• de eigenschappen: dat kan zijn een bepaalde kleur (kleurstoffen); een bepaalde smaak (smaakstoffen); bescherming tegen maagsap; een vertraagde afgifte (coating die zorgt, dat een tablet pas in je darm uiteen valt = retard-vorm); of een granuleermiddel (dat zorgt, dat een tablet met een bepaalde snelheid in je maag uiteen valt).
• de houdbaarheid: conserveermiddelen.
De therapeutische hulpstoffen ondersteunen de werking van een medicijn, bijvoorbeeld door:
• versterking van de werking: clavulaanzuur.
• vermindering van de bijwerking: mercapto-ethaan-sulfonzuur.
• remming van de afbraak van het medicijn: bijvoorbeeld carbidopa.

Eigenschappen hulpstoffen
Hulpstoffen hebben verschillende eigenschappen, bijvoorbeeld:
• voor de opvulling van tabletten, dragees worden vulstoffen, verdikkingsmiddelen gebruikt.
• water is het meest gebruikte oplosmiddel.
• voor de houdbaarheid van een medicijn wordt een conserveermiddel toegevoegd.
• de basis van huidpreparaten (zalf, crème) zijn verschillende soorten vetten en oliën.
• een tablet (pil) of capsule kan een maagsapbestendige coating hebben. Dat zorgt ervoor dat de werkzame stof niet wordt afgebroken door het maagzuur in je maag. Door de coating komt de werkzame stof in je medicijn dus op de juiste plaats terecht om daar zijn werk te doen.
• een kleurstof zorgt voor de kleur van een tablet.

Alle hulpstoffen in een medicijn vind je in rubriek 6 van de bijsluiter van je medicijn.

Klachten bij gebruik medicijn

Klachten bij gebruik medicijn
Die kunnen worden veroorzaakt door:
• een reactie op een bijwerking van het medicijn, dat je gebruikt. Als je een hoge dosis gebruikt van een medicijn heb je een grotere kans op een bijwerking en een reactie daarop. Je kunt deze reacties krijgen door: je leeftijd; hoe goed de nieren en de lever je medicijnen kunnen afbreken; je gewicht; of bepaalde lichamelijke aandoeningen. Reacties kunnen zijn: een overdreven reactie, zoals het ontstaan van een te lage bloeddruk bij gebruik van bloeddrukverlagende medicijnen of een darmbloeding bij gebruik van antistollingsmedicijnen. Een ongewenste reactie, zoals een darmverstopping bij gebruik van morfine of diarree bij gebruik van antibiotica. Een nadelig effect voor je nieren door een wisselwerking tussen twee medicijnen, zoals bij gelijktijdig gebruik van plastabletten en bepaalde pijnstillers als ibuprofen en diclofenac.
• een reactie, die niet te voorspellen is uit de werking van een medicijn. Deze reacties kunnen al bij inname van een heel lage dosis van een medicijn optreden, maar zijn zeldzamer en vaker ernstig. Reacties kunnen zijn: een onbekende oorzaak, dat kan komen door een (aangeboren of verworven) stoornis van een enzym, dat betrokken is bij de afbraak of omzetting van het medicijn in andere stoffen. Een niet-allergische overgevoeligheid of intolerantie, bijvoorbeeld een NSAID-intolerantie. Mensen met een NSAID-intolerantie krijgen galbulten of astma na inname van NSAID’s zoals ibuprofen of diclofenac.
• een allergische reactie op een medicijn. Een allergie is een reactie van je afweersysteem op lichaamsvreemde stoffen (allergenen). Allergenen komen in contact met je huid en/of slijmvliezen of komen via de luchtwegen je lichaam binnen. Normaliter moet je afweersysteem alleen reageren op binnenkomende stoffen in je lichaam, die schadelijk zijn, zoals bacteriën en virussen, die je ziek kunnen maken. Maar bij een allergische reactie reageert je afweersysteem op een stof, die normaal onschadelijk is.
De allergische reactie kan ook uitgelokt worden door stoffen in een medicijn. De reactie komt vaak binnen een paar minuten en bijna nooit later dan een uur, nadat je het medicijn hebt ingenomen. Typische klachten bij deze reactie zijn: galbulten/netelroos, zwellingen, prikkelingen in de mond en keelholte, een verstopte neus, een loopneus, rode geprikkelde ogen, buikkrampen, misselijkheid, moeten braken, diarree. Anafylaxie is de ernstigste vorm van deze allergische reactie. Bij anafylaxie: kun je buiten kennis raken door daling van de bloeddruk, dreig je te stikken door zwelling van de keel of word je slap en moet je heftig braken. De klachten zijn niet afkomstig van het allergeen zelf, maar van de reactie van je afweersysteem op het allergeen.

Soorten medicijnallergieën 
Bij een allergie voor een medicijn maakt je lichaam afweerstoffen tegen het medicijn aan of reageren lichaamscellen, die betrokken zijn bij je afweer, specifiek op de stoffen in het medicijn.
Er bestaan 4 typen allergieën bij medicijnen:
type I: hierbij maakt je lichaam allergische antistoffen aan. De allergische reactie wordt uitgelokt door een allergeen. Allergenen zijn lichaamsvreemde stoffen, die bij bepaalde mensen een allergische reactie kunnen opwekken, bijvoorbeeld door:
luchtwegallergenen (bijvoorbeeld huisstofmijt, stuifmeel van bomen en planten, huidschilfers van huisdieren).
voedingsmiddelen (bijvoorbeeld koemelk, pinda, ei, noten, enz.).
medicijnen (bijvoorbeeld penicilline en andere stoffen).
insectengif (bijen, wespen).
allergenen, die contact maken met je huid (bijvoorbeeld diverse metalen, conserveringsmiddelen in cosmetica, rubber enz.).
type II: hierbij maakt je lichaam ook antistoffen aan tegen een medicijn, maar van een ander soort dan bij een type I. De stoffen in medicijnen kunnen zich hechten aan het oppervlak van bijvoorbeeld bloedcellen of huidcellen. Het lichaam herkent deze bloedcellen en huidcellen dan als lichaamsvreemd en begint met een afweerreactie. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld je bloedplaatjes worden afgebroken met als gevolg een gestoorde bloedstolling of kan je opperhuid loslaten met als gevolg blaarvorming op je huid.
type III: hierbij hechten de antistoffen zich aan de medicijnstoffen in je bloedbaan en vormen hier zogenaamde complexen mee. Deze complexen kunnen neerslaan in de kleine bloedvaten in je nieren, longen en huid. Zo veroorzaken ze koorts, gewrichtspijn, nierproblemen, ontstekingsplekken in de huid en bloeduitstortingen.
type IV of vertraagd-type-allergie: hierbij richten bepaalde cellen van het afweersysteem zich specifiek tegen stoffen in een medicijn en veroorzaken een ontsteking. Deze reactie komt langzamer op gang dan bij type I, II en III. Het gebeurt meestal pas na een paar dagen. Deze reactie zorgt voor een groot aantal verschillende huidreacties. De huidreacties kunnen relatief onschuldig zijn, zoals eczeem, maar ook veel ernstiger, zoals blaarziekten.

Niet-allergische reactie of intolerantie
Een intolerantie of niet-allergische reactie is geen reactie van je afweersysteem. Elk medicijn kan een niet-allergische reactie of intolerantie uitlokken. Dat gebeurt het vaakste bij antibiotica (penicilline), ontstekingsremmers en pijnstillers. Je bent daarbij overgevoelig voor een bepaalde hulpstof in een medicijn. Je kunt bijvoorbeeld rode vlekjes op je huid krijgen of diarree bij het gebruik van antibiotica. Je kunt huiduitslag krijgen bij het gebruik van een zalf, crème of lotion voor op de huid, bijvoorbeeld een zalf met wolvet. Conserveringsmiddelen in drankjes, oogdruppels of crèmes kunnen een niet-allergische reactie veroorzaken door bijvoorbeeld de toevoeging van benzoëzuur en chlooramfenicol. Een reactie kan pas dagen later optreden. In tegenstelling tot allergieën, zijn intoleranties meestal niet levensbedreigend, maar kun je er wel veel ongemak en klachten van krijgen.

In de CBG Geneesmiddeleninformatiebank https://www.cbg-meb.nl/ kun je lezen welke medicijnen welke hulpstoffen bevatten, net als op de bijsluiter van je medicijn.

Risicogroepen gebruik hulpstoffen medicijn

Risicogroepen
Behoor je tot een risicogroep, dan moet je goed opletten op de hulpstoffen in je medicijn. Hulpstoffen in een merkmedicijn kunnen verschillen van die in een merkloos (generiek) medicijn of tussen merkloze (generieke) medicijnen. Kijk dus altijd op de bijsluiter naar de hulpstoffen, als je je medicijn in een nieuw doosje krijgt of een ander medicijn krijgt.
Risicogroepen zijn:
• kinderen en baby’s.
• zwangere vrouwen en vrouwen, die borstvoeding geven.
• oudere mensen.
• mensen met een minder goed werkende lever of nieren
.

Is er een bekend risico, dan kun je dat lezen in rubriek 2 van de bijsluiter bij je medicijn.

Help mee